ECLI:NL:CRVB:2013:CA2145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens niet tijdige bijstandsbetaling
Appellant, ontvanger van bijstand op grond van de WWB, kreeg in september en oktober 2010 een verlaging van zijn uitkering wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie. Na bezwaar trok het college deze besluiten in vanwege medische redenen. Appellant vorderde vervolgens schadevergoeding wegens de niet tijdige betaling van de bijstand over oktober 2010.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het niet ontvangen van bijstand leidde tot ernstige psychische schade en een aantasting van zijn privéleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro en artikel 6:106 BW Pro. Hij overlegde medische stukken ter onderbouwing.
De Raad oordeelde dat de verlaging van september niet was geëffectueerd en dat de bijstand over oktober later was nagekomen. Psychische schade werd niet aannemelijk gemaakt, mede omdat de klachten al langer bestonden. De Raad achtte de korte onderbreking van de bijstand onvoldoende ernstig om te spreken van een aantasting van de persoon in de zin van het BW of een schending van artikel 8 EVRM Pro.
De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.