Uitspraak
drs. E.H. Siemeling.
Centrale Raad van Beroep
Appellant en zijn echtgenote hebben bijstand aangevraagd met terugwerkende kracht vanaf 28 februari 2007. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht kende bijstand toe vanaf 7 december 2009, maar weigerde deze over de periode daarvoor vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat het college hen na de eerste melding niet in de gelegenheid had gesteld een aanvraag in te dienen, waardoor terugwerkende kracht gerechtvaardigd zou zijn.
De Raad overwoog dat volgens de WWB het recht op bijstand wordt vastgesteld vanaf de dag van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden anders rechtvaardigen. Hoewel appellant zich op 28 februari 2007 meldde, werd hij toen niet in de gelegenheid gesteld een aanvraag te doen. Echter, appellanten hebben daarna te lang gewacht met het opnieuw aanvragen van bijstand.
De Raad concludeerde dat deze nalatigheid van het college geen gevolgen kan hebben omdat appellanten zelf te laat waren met het indienen van de aanvraag. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die terugwerkende kracht rechtvaardigen, zodat het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van bijstand met terugwerkende kracht wordt bevestigd.