ECLI:NL:CRVB:2014:1027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing zorgindicatie AWBZ wegens ontbreken rechtmatig verblijf en voorliggende behandeling
Appellant, een slechthorende en depressieve persoon zonder verblijfsvergunning, vroeg om zorg op grond van de AWBZ. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) had aanvankelijk een indicatie afgegeven, maar Agis Zorgverzekeringen weigerde de zorg vanwege het ontbreken van een geldige verblijfstitel. Na bezwaar en een herzien besluit van CIZ, waarin werd gesteld dat behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet voorliggend is, verklaarde de rechtbank het beroep van appellant ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het weigeren van medische zorg in strijd is met artikel 3 en Pro 8 EVRM, omdat hij recht heeft op medisch noodzakelijke zorg en niet van het kastje naar de muur mag worden gestuurd. De Raad overwoog dat het besluit van CIZ onherroepelijk is geworden en dat appellant op grond van de AWBZ geen aanspraak kan maken op de gevraagde zorg.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat appellant onvoldoende feitelijke gegevens had aangedragen om te stellen dat de weigering van zorg zijn privéleven onmogelijk maakte, mede omdat sprake was van voorliggende behandeling en appellant geen rechtmatig verblijf had. Ook het beroep op artikel 3 EVRM Pro werd verworpen, aangezien niet voldaan was aan de hoge norm van uitzonderlijke omstandigheden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen aanspraak kan maken op AWBZ-zorg vanwege ontbreken rechtmatig verblijf en voorliggende behandeling.