ECLI:NL:CRVB:2014:1029
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Weigering indicatiebesluit AWBZ op grond van voorliggende zorgvoorziening
Appellant, sinds 2006 in Nederland zonder verblijfsvergunning, vroeg in januari 2011 een indicatie aan bij het CIZ voor AWBZ-zorg. Het CIZ wees de aanvraag af omdat appellant geen verzekerde zou zijn onder de AWBZ. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, met uitzondering van een proceskostenkwestie.
Tijdens hoger beroep verving het CIZ het tweede besluit door een nieuw besluit waarin het bezwaar alsnog ongegrond werd verklaard op basis van het standpunt dat behandeling onder de Zorgverzekeringswet voorliggend is op AWBZ-zorg. Appellant voerde aan dat de behandeling onvoldoende is en dat het CIZ moet bemiddelen, en stelde schending van artikelen 3 en 8 EVRM.
De Raad oordeelde dat het medisch advies waarop het CIZ zich baseerde volledig en zorgvuldig was en dat appellant feitelijk wordt behandeld, waardoor het beroep op AWBZ-zorg niet slaagt. Ook de EVRM-betoog faalde. De Raad vernietigde het besluit van 22 september 2011, verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond en veroordeelde het CIZ in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van 22 september 2011 wordt vernietigd en het beroep tegen het besluit van 8 maart 2012 wordt ongegrond verklaard.