ECLI:NL:CRVB:2014:1155
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na motorongeval
Appellant raakte in maart 2000 arbeidsongeschikt door een motorongeval en ontving een WAO-uitkering vanaf maart 2001. Deze uitkering werd in maart 2002 beëindigd omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd bevonden. Appellant werkte daarna voltijds, maar meldde zich in november 2002 ziek wegens oververmoeidheid. Diverse besluiten van het UWV en rechtbanken verklaarden zijn bezwaren ongegrond en bevestigden dat hij niet arbeidsongeschikt was.
In 2011 vroeg appellant een Wajong-uitkering aan wegens klachten als gevolg van het ongeval. Het UWV wees dit af omdat hij meer dan 75% van het maatmaninkomen kan verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de WAO-beoordeling gelijk is aan die van de Wet Wajong, waardoor appellant niet arbeidsongeschikt is gebleven.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat het UWV ambtshalve een Wajong-beoordeling had moeten uitvoeren. De Raad concludeerde echter dat de medische gegevens en functionele mogelijkhedenlijst uit 2002 en 2011 geen aanleiding geven tot twijfel over zijn verdiencapaciteit. Ook bij toepassing van het verhoogde maatmaninkomen blijft zijn arbeidsongeschiktheid onder de 25%.
De Centrale Raad bevestigt dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering en dat het UWV terecht zijn aanvraag heeft afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt is volgens de wet.