Appellant stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat hij recht heeft op een IVA-uitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Het UWV had eerder een WGA-uitkering toegekend en het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
De Raad liet een deskundige psychiater rapporteren, die stelde dat appellant meer beperkt is dan het UWV aannam. Het UWV wijzigde daarop haar standpunt en achtte appellant volledig arbeidsongeschikt per 14 september 2010. De kern van het geschil bleef of appellant recht heeft op een IVA-uitkering, die vereist dat de arbeidsongeschiktheid duurzaam is.
De Raad oordeelde dat op de datum in geding onvoldoende medische gronden bestonden om de arbeidsongeschiktheid als duurzaam te kwalificeren. De eerdere prognoses van herstelkansen en behandelingen waren doorslaggevend. Het feit dat het UWV later alsnog een IVA-uitkering verstrekte, leidde niet tot een ander oordeel. De Raad vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand en veroordeelde het UWV in de proceskosten.