ECLI:NL:CRVB:2014:1231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende bewijs voor intrekking bijstand wegens vermeend ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Betrokkene ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en stond ingeschreven op een adres in Enschede. Het college van burgemeester en wethouders van Enschede trok de bijstand in per 1 januari 2009, omdat betrokkene zou samenwonen op een ander adres, waardoor zij geen recht meer had op bijstand. Tevens werd de bijstand teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond voor een deel van de periode en vernietigde het besluit tot terugvordering. Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college onvoldoende bewijs had geleverd dat betrokkene haar hoofdverblijf niet langer had op het uitkeringsadres. De verklaringen van betrokkene waren niet eenduidig en het waterverbruik op het uitkeringsadres was onvoldoende duidelijk om het standpunt van het college te ondersteunen.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank, wees het hoger beroep af en veroordeelde het college in de proceskosten van betrokkene. Tevens werd griffierecht geheven. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 april 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand worden niet bevestigd.