ECLI:NL:CRVB:2014:1348
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens werkzaamheden met loonwaarde
De appellant ontving een WAO-uitkering die door het UWV werd geschorst en aangepast na een fraudeonderzoek naar aanleiding van een anonieme tip. Het UWV stelde vast dat appellant sinds juni 2006 werkzaamheden verrichtte die een economische loonwaarde vertegenwoordigen, wat leidde tot een terugvordering van €30.938,30.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens schending van de cautieplicht, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de cautieplicht alsnog was geschonden en dat de terugvordering onterecht was omdat de werkzaamheden vooral dienden om sociaal isolement te voorkomen.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid had vastgesteld op 65 tot 80% en dat de cautieplicht niet was geschonden omdat het bestuursorgaan niet gehouden is tot strafrechtelijke waarborgen bij het afleggen van verklaringen in uitkeringsonderzoeken. De werkzaamheden werden als economische arbeid erkend. De sociale omstandigheden van appellant vormden geen dringende reden om van terugvordering af te zien.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de terugvordering bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.