ECLI:NL:CRVB:2008:BG3682
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R. Kooper
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving algemene bijstand als alleenstaande ouder van 2002 tot 2006. Het College van burgemeester en wethouders stelde na een anonieme melding een onderzoek in naar haar woon- en leefsituatie vanwege vermoedens van een gezamenlijke huishouding met haar buurman. Na meerdere pogingen tot contact en een huisbezoek met toestemming van appellante en haar buurman, concludeerde het College dat er sprake was van gezamenlijke huishouding en dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door dit niet te melden.
Het College trok de bijstand met terugwerkende kracht in en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarna appellante hoger beroep instelde. Zij voerde onder meer aan dat de intrekking een punitieve sanctie was en dat zij als verdachte in strafrechtelijke zin behandeld had moeten worden, met inachtneming van het recht op cautie en andere waarborgen.
De Raad oordeelde echter dat intrekking van bijstand geen strafrechtelijke sanctie is maar een herstelmaatregel gericht op het ongedaan maken van onterecht toegekende bijstand. Daarom zijn strafrechtelijke waarborgen niet van toepassing. De Raad vond voldoende bewijs voor de gezamenlijke huishouding en dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden. Ook het beroep op discriminatie wegens ongerechtvaardigd onderscheid slaagde niet omdat appellante geen hulpbehoevendheid kon aantonen.
De Raad bevestigde het besluit tot intrekking van de bijstand en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.