ECLI:NL:CRVB:2014:1412
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.M. Overbeeke
- F. Hoogendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij met appellant een gezamenlijke huishouding voerde in dezelfde woning gedurende de periode 1 maart 2009 tot 1 maart 2011. Dit leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand.
Het onderzoek bestond uit dossieronderzoek, verhoren, waarnemingen en getuigenverklaringen die het samenwonen bevestigden, ondanks dat appellanten op verschillende adressen stonden ingeschreven. De Raad oordeelde dat het aanhouden van verschillende adressen niet uitsluit dat sprake is van feitelijke samenwoning.
Appellanten voerden aan dat de aanwezigheid van appellant verband hield met zorg voor het kind en ziekte van appellante, maar dit werd niet aannemelijk geacht. Ook ontlastende verklaringen werden onvoldoende onderbouwd. De Raad stelde vast dat appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en appellante daardoor de inlichtingenplicht schond.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De intrekking en terugvordering van bijstand, mede van appellant, waren daarmee terecht. De beroepen tegen de nadere besluiten van het college werden eveneens ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.