ECLI:NL:CRVB:2014:1440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering persoonsgebonden budget voor huishoudelijke verzorging wegens schuldenlast
Appellante vroeg op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een persoonsgebonden budget (pgb) aan voor huishoudelijke verzorging. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag kende haar aanvankelijk zorg in natura toe, maar weigerde later het pgb vanwege haar aanzienlijke schuldenlast en het risico op beslaglegging.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het college terecht overwegende bezwaren aannam op grond van artikel 6 Wmo Pro en artikel 51 van Pro de gemeentelijke Verordening. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij haar schulden via betalingsregelingen aflost en geen gevaar voor onjuiste besteding van het pgb bestond.
De Raad oordeelde dat het college de bezwaren van overwegende aard juist heeft uitgelegd en dat het risico op beslaglegging ondanks betalingsregelingen blijft bestaan. Daarom is het pgb terecht geweigerd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het persoonsgebonden budget vanwege het risico op beslaglegging door schuldenlast.