ECLI:NL:CRVB:2014:1471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand als alleenstaande, maar na een anonieme tip startte de sociale recherche een onderzoek naar zijn woonsituatie. Uit het onderzoek bleek dat appellant en [B.] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en zorg voor elkaar droegen, wat duidt op een gezamenlijke huishouding. Het college van burgemeester en wethouders besloot daarom de bijstand vanaf 1 juni 2010 in te trekken en de bijstand over de periode van 8 februari 2008 tot 31 mei 2010 terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenplicht.
Appellant voerde aan dat de gezamenlijke huishouding pas vanaf 16 februari 2010 bestond en dat zijn verklaring onder druk was afgelegd, mede vanwege psychische problematiek. De Raad verwierp deze bezwaren omdat de verklaring concreet, gedetailleerd en ondertekend was en appellant geen medische onderbouwing leverde. Ook de verklaringen van getuigen en partner ondersteunden het oordeel van het college.
De Raad oordeelde dat appellant en [B.] gedurende de relevante periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg voor elkaar droegen, waardoor sprake was van een gezamenlijke huishouding. Hierdoor had appellant geen recht op bijstand als alleenstaande. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.