ECLI:NL:CRVB:2014:1480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Betrokkene diende op 21 mei 2012 een aanvraag om bijstand in, waarbij hij aangaf inwonend te zijn bij een derde persoon op hetzelfde adres. De gemeente wees de aanvraag af wegens gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit en kende bijstand toe, omdat hij oordeelde dat het criterium van wederzijdse zorg niet was voldaan, mede vanwege de noodsituatie van betrokkene.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat betrokkene en de derde persoon hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat er voldoende feitelijke grondslag was voor wederzijdse zorg. Dit bleek uit verklaringen over gezamenlijke maaltijden, huishoudelijke taken en zorgactiviteiten.
De Raad verwierp het argument van de rechtbank dat de noodsituatie het criterium van wederzijdse zorg uitsloot. De omstandigheden en motieven van de betrokkenen zijn niet relevant voor de toetsing aan artikel 3, derde lid, WWB. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het oorspronkelijke afwijzingsbesluit werd gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg, waardoor geen recht op bijstand bestaat.