ECLI:NL:CRVB:2014:1483
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over zorgindicatie en leefeenheid bij hulp bij het huishouden
Appellante, geboren in 1925 met ernstige beperkingen, woont in een zelfstandige woonruimte binnen de woning van haar dochter en schoonzoon, die samen een leefeenheid vormen. Het college kende haar hulp bij het huishouden toe op basis van de veronderstelling dat dochter en schoonzoon gebruikelijke zorg leveren, maar deed onvoldoende onderzoek naar hun draagkracht.
De rechtbank vernietigde het besluit en beval nader onderzoek. In hoger beroep betwist appellante dat zij een leefeenheid vormt met haar dochter en schoonzoon en stelt zij dat zij meer hulp nodig heeft en geen maaltijdvoorziening kan gebruiken.
De Raad bevestigt dat sprake is van een leefeenheid en dat de dochter en schoonzoon als huisgenoten moeten worden beschouwd. Het college heeft echter onvoldoende onderzoek gedaan naar de objectieve zorgbehoefte van appellante en de draagkracht van haar huisgenoten. Ook het advies van Scio Consult is onvolledig en het college mocht niet eisen dat het persoonsgebonden budget door derden wordt besteed.
De Raad draagt het college op binnen zes weken het besluit te herstellen met inachtneming van een gedegen onderzoek naar de zorgbehoefte, draagkracht van huisgenoten en de specifieke omstandigheden van appellante, waaronder haar beperkingen en onmogelijkheid gebruik te maken van maaltijdvoorziening.
Uitkomst: Het college wordt opgedragen het besluit te herstellen na nader onderzoek naar zorgbehoefte en draagkracht huisgenoten.