ECLI:NL:CRVB:2014:1543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontzegging recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid
Appellant ontving aanvankelijk een WIA-uitkering, die per 31 augustus 2010 werd beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Vervolgens meldde appellant zich op 31 januari 2012 ziek vanwege klachten na een hemorroïdenoperatie, hoofdpijn en spanningsklachten. Het UWV besloot op 13 april 2012 dat appellant vanaf 18 april 2012 geen recht meer had op een Ziektewet-uitkering omdat hij weer geschikt werd geacht voor zijn arbeid. Dit besluit werd op 18 juli 2012 in bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had uitgevoerd. Hierbij werd rekening gehouden met psychische klachten, waaronder een lichte depressieve stoornis en spanningshoofdpijn, en fysieke klachten. De rechtbank vond dat appellant weer geschikt was voor zijn arbeid, zoals vastgesteld in de WIA-procedure.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten en verwees naar medische brieven, waaronder een brief van 24 januari 2013 en een psychiatrisch onderzoek dat nog aangevraagd zou worden. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV, en oordeelde dat appellant geen nieuwe medische stukken had overgelegd die aanleiding gaven tot een ander oordeel. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.