ECLI:NL:CRVB:2014:1554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant viel op 2 september 2008 uit bij twee werkgevers vanwege diverse lichamelijke en psychische klachten. Het UWV ontzegde appellant per 31 augustus 2010 een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische rapporten van verzekeringsartsen zorgvuldig waren en geen aanwijzingen bevatten dat de beperkingen van appellant waren onderschat. Ook de arbeidskundige beoordeling werd als toereikend gemotiveerd beschouwd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn medische bezwaren en kondigde aan nadere medische stukken te zullen overleggen. Deze zijn echter niet ingediend. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de medische grondslag van het besluit juist is. Uit een brief van de behandelend psychiater bleek dat maatschappelijke problematiek en depressie de klachten beïnvloeden, zonder medische oorzaak. Zonder nieuwe medische stukken kon niet worden geoordeeld dat de beperkingen op de peildatum waren onderschat.
De Raad concludeerde dat er geen reden is om te twijfelen aan de passendheid van de voorgestelde functies en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 april 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.