ECLI:NL:CRVB:2014:1602
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verhoging WAO-uitkering ondanks gezondheidsverslechtering
Appellant ontvangt sinds 2001 een WAO-uitkering, laatstelijk berekend op 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid. Na een melding van verslechtering in juni 2010 weigerde het UWV de uitkering te verhogen, omdat een verzekeringsarts geen duidelijke verslechtering zag ten opzichte van het onderzoek in mei 2010.
De rechtbank benoemde een deskundige die concludeerde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet onjuist was, ondanks dat appellant door zijn huidige overgewicht meer beperkt is in bepaalde activiteiten dan eerder vastgesteld. De deskundige hoefde niet alle aspecten van de FML afzonderlijk te testen, maar kon op basis van haar expertise en dossierinformatie een oordeel geven.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn beperkingen en dat het lichamelijk onderzoek te summier was. De Raad oordeelde dat het onderzoek adequaat was en dat de toegenomen beperkingen die leidden tot een latere verhoging van de uitkering per 22 juli 2012 geen reden waren om de eerdere FML onjuist te achten.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de WAO-uitkering van appellant te verhogen.