Verzoeker heeft een schadevergoeding gevorderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure tegen het UWV en de Staat. De procedure heeft in totaal ruim vijf jaar en zeven maanden geduurd, waarbij de behandeling van het bezwaarschrift door het UWV zeven maanden in beslag nam, de rechtbankprocedure ruim twee jaar en het hoger beroep ruim twee jaar en negen maanden.
De Staat erkende een overschrijding van de redelijke termijn met één jaar en zes maanden en bood een vergoeding van €1500,- aan. Het UWV erkende een overschrijding van ongeveer één maand en bood €250,- aan. Verzoeker stelde dat de totale overschrijding neerkwam op één jaar en acht maanden, en vorderde een vergoeding van €2000,- op basis van €500,- per half jaar overschrijding.
De Raad stelde vast dat verzoeker recht heeft op een totale vergoeding van €2000,-, waarbij de Staat €1500,- en het UWV €500,- dient te vergoeden. De eerdere jurisprudentie waarop het UWV zich beriep, was niet van toepassing omdat er hier geen sprake was van gedeelde schadeplichtigheid. Daarnaast werd de Staat en het UWV elk veroordeeld tot betaling van de helft van de proceskosten van verzoeker, begroot op €236,-.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 9 mei 2014, waarbij de Raad het verzoek tot schadevergoeding toewijst en de proceskosten verdeelt.