ECLI:NL:CRVB:2014:1813
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking inkomensvoorziening wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 2009 bijstand, later omgezet in een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Het college trok deze voorziening in omdat zij niet had gemeld dat zij met [B.], met wie zij een kind heeft, een gezamenlijke huishouding voert. [B.] was ingeschreven op het adres van zijn ouders, maar het college stelde vast dat hij feitelijk zijn hoofdverblijf bij appellante had.
Appellante voerde aan dat er geen gezamenlijke huishouding was en dat [B.] elders woonde. Het college deed onderzoek, waaronder observaties, huisbezoek en analyse van post en bezittingen. Deze toonden aan dat [B.] vrijwel dagelijks aanwezig was en zijn hoofdverblijf bij appellante had. Appellante gaf wisselende verklaringen en slaagde er niet in het tegendeel aannemelijk te maken.
De Centrale Raad oordeelde dat het college terecht het besluit op grond van de WIJ nam en dat de rechtbank ten onrechte de WWB toepaste. De Raad bevestigde dat het aan appellante was om een wijziging in omstandigheden aannemelijk te maken, wat niet was gebeurd. Het beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de inkomensvoorziening gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de inkomensvoorziening wegens gezamenlijke huishouding.