ECLI:NL:CRVB:2014:185

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 januari 2014
Publicatiedatum
27 januari 2014
Zaaknummer
13-2874 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbAfdeling 4.4.3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen betalingsherinnering UWV

In deze zaak gaat het om een bezwaar van appellant tegen een brief van het UWV waarin een bedrag van € 6.118,15 werd opgeëist als onverschuldigd betaald. Het UWV kwalificeerde deze brief als een betalingsherinnering en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is.

De rechtbank Limburg onderschreef dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de brief een stuitingsbrief was die de verjaring van de terugvordering moest onderbreken en daarom wel als besluit moest worden aangemerkt. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de brief niet gericht was op rechtsgevolg en bevestigde dat het een betalingsherinnering betrof.

De Raad concludeerde dat de verjaring niet is gestuit en dat de regeling inzake verjaring in de Awb niet van toepassing is. Het verzoek van appellant tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de betalingsherinnering wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om wettelijke rente wordt afgewezen.

Uitspraak

13/2874 WW
Datum uitspraak: 22 januari 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 mei 2013, 12/814 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2013, waar appellant niet is verschenen en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij brief van 12 maart 2012 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij een onverschuldigd betaald bedrag van € 6.118,15 nog niet heeft voldaan en dat hij dit bedrag binnen een maand na de datum van de brief moet betalen. Daarbij is vermeld dat appellant gebruik kan maken van de bijgevoegde acceptgiro.
1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze brief. Bij besluit van 19 april 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het Uwv betreft de brief van 12 maart 2012 slechts een betalingsherinnering. Deze brief is niet gericht op rechtsgevolg en kan daarom niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van
artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.
De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
In hoger beroep heeft appellant het standpunt ingenomen dat de rechtbank op een verkeerde wijze toepassing heeft gegeven aan de in de Awb opgenomen regeling voor de betaling van bestuurlijke geldschulden. Volgens appellant heeft het Uwv met de brief van 12 maart 2012 getracht de verjaring van de terugvordering te stuiten en is daarom sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Deze stuitingsbrief komt echter te laat, zodat de vordering is verjaard.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het oordeel van de rechtbank dat de brief van 12 maart 2012 niet is gericht op rechtsgevolg en dus geen besluit is in de zin van de Awb wordt onderschreven. Deze brief moet inderdaad worden aangemerkt als een betalingsherinnering. Afdeling 4.4.3 van de Awb inzake verjaring is niet aan de orde. Van een verkeerde toepassing door de rechtbank van de in de Awb opgenomen regeling voor betaling van bestuurlijke geldschulden is dan ook geen sprake.
4.2.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5.
In het hoger beroepschrift heeft appellant om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over het volgens hem terug te betalen bedrag verzocht. Uit het onder 4 overwogene volgt dat voor toewijzing daarvan geen ruimte bestaat.
6.
Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) H.J. Dekker

HD