ECLI:NL:CRVB:2014:1890
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering naar thuiswonende norm en terugvordering wegens late inschrijving GBA
Appellante ontving studiefinanciering op basis van de norm voor een thuiswonende studerende. Na melding van uitwonend wonen per 1 december 2012, kende de Minister een uitwonendenbeurs toe, maar herzag dit besluit later omdat uit een adrescontrole bleek dat appellante nog ingeschreven stond op het adres van haar vader. Hierdoor werd de studiefinanciering teruggebracht naar de thuiswonende norm en werd een bedrag teruggevorderd.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij vanaf 1 december 2012 feitelijk uitwonend was en pas later kon inschrijven vanwege vertraging bij de verhuurder. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor de uitwonendenbeurs in december 2012 en dat geen aanleiding was voor toepassing van de hardheidsclausule.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij voldoende had gedaan om tijdig de verklaring van onderhuur te verkrijgen en dat de Minister haar had moeten wijzen op het ontbreken van een juiste inschrijving. De Raad oordeelde dat de studiefinanciering is gebaseerd op de inschrijving in de GBA en dat appellante zelf verantwoordelijk was voor tijdige inschrijving. De veronderstelling dat de verhuurder de verklaring zou opsturen was voor haar risico. De Raad bevestigde dat de late inschrijving geen situatie van niet-verwijtbaarheid oplevert die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit terecht in stand blijft en het hoger beroep wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van studiefinanciering blijft gehandhaafd.