5.De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.Het besluit van 27 februari 2013 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.
5.2.Uit de gegevens van de RDW blijkt dat appellant in de periode van 24 december 2010 tot en met 21 februari 2012 acht kentekens van motorvoertuigen (auto’s) op zijn naam geregistreerd heeft gehad. Dit is niet betwist. De tenaamstellingen zijn vaak van korte duur geweest en de auto’s zijn vervolgens alle geëxporteerd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) is het onder deze omstandigheden aannemelijk dat met betrekking tot de auto’s (handels)transacties hebben plaatsgevonden. Tevens kan er vanuit worden gegaan dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, de datum is waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. 5.3.Appellant betwist dat hij zakelijke transacties met betrekking tot de auto’s heeft verricht. Hij voert aan dat hij bij wijze van vriendendienst auto’s voor twee kennissen uit Frankrijk bekijkt, voor hen onderhandelt, de auto’s betaalt, op zijn naam laat registreren en ten slotte zorgt voor de keuring bij de RDW voor de export. Die stelling heeft appellant, gelet op het aantal transacties, niet aannemelijk gemaakt. De verklaringen van zijn vrienden uit Frankrijk zijn onvoldoende concreet om te kunnen concluderen dat sprake is geweest van een vriendendienst. Daarbij is mede van belang dat het, voor de periode waarin dat gebeurde, om een groot aantal auto’s ging en dat de daarmee gepaard gaande inspanningen van appellant omvangrijk waren, zodat niet aannemelijk is dat de activiteiten een ander dan een zakelijk karakter hadden. De activiteiten die appellant heeft verricht, moeten daarom als op geld waardeerbaar worden aangemerkt. Appellant had daar redelijkerwijs betaling voor kunnen vragen en aldus inkomsten daarmee kunnen verwerven.
5.4.Met betrekking tot enkele auto’s heeft appellant aangevoerd dat ze niet bestemd waren voor autohandel, maar voor eigen gebruik. Dit leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:841) is, in het licht van de overige transacties met de auto’s, de enkele omstandigheid dat een bepaalde auto gedurende een periode van een paar maanden op naam van appellant stond en appellant in die auto reed, onvoldoende om de transactie met die auto buiten beschouwing te laten. 5.5.Door van de onder 5.3 bedoelde activiteiten geen melding te maken is appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen met betrekking tot de maanden waarin een transactie heeft plaatsgevonden.
5.6.Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
5.7.Vastgesteld wordt dat appellant geen controleerbare gegevens heeft verschaft over de transacties, zoals informatie over de voor de auto’s betaalde aanschafprijzen en over de ontvangen inkomsten en vergoedingen voor door hem gemaakte kosten, zodat niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, hij in de betreffende maanden verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.
5.8.In het vorenstaande ligt besloten dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kon maken.
Stortingen op eigen rekening
5.9.Uit de door de sociale recherche bij appellant opgevraagde bankafschriften blijkt dat over de maanden december 2010, augustus 2011, november 2011 en december 2011 stortingen op eigen rekening zijn gedaan. Appellant heeft hiervan geen melding gemaakt aan het college. Hierdoor heeft hij de op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.
5.10.Het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene staat rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van de middelen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Het ligt dan op de weg van betrokkene om aannemelijk te maken dat de als gevolg van stortingen op zijn rekening bijgeschreven bedragen niet zijn aan te merken als middelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de WWB (zie bijvoorbeeld uitspraak van de Raad van 4 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:753). 5.11.Uit de door appellant gegeven verklaring voor deze stortingen kan de herkomst en het doel van de stortingen niet verifieerbaar worden afgeleid. Appellant heeft zijn stelling dat hij geld heeft geleend van vrienden niet met bewijsstukken gestaafd. Ook de verklaring dat hij op 17 augustus 2011 € 500,- op zijn rekening heeft gestort en dit er een paar minuten later weer heeft afgehaald en aan zijn vriend heeft gegeven, heeft hij niet aannemelijk gemaakt.
5.12.Het voorgaande betekent dat het college de bedragen die in de relevante maanden zijn gestort op de rekening van appellant terecht als diens middelen heeft aangemerkt. Gelet op de frequentie en de hoogte van de stortingen heeft het college deze niet ten onrechte als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB. Appellant had in de maanden dat de kasstortingen plaatsvonden op grond van artikel 19, tweede lid, van de WWB enkel recht op bijstand ter hoogte van het verschil tussen dit inkomen en de bijstandsnorm. De schending van de inlichtingenverplichting heeft derhalve tot gevolg gehad dat aan appellant een te hoog bedrag aan bijstand is verleend. Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant over de betreffende maanden te herzien door alsnog met de kasstortingen als inkomen rekening te houden. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.
5.13.Uit 5.2 tot en met 5.12 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5.14.Met het nadere besluit van 27 februari 2013 is het over de daarin genoemde perioden teruggevorderde bedrag aan gemaakte kosten van ten onrechte verleende bijstand vastgesteld op € 11.994,96. Appellant heeft tegen dit besluit geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Uit wat onder 5.12 is overwogen volgt dat het beroep van betrokkene tegen dit besluit ongegrond dient te worden verklaard.