ECLI:NL:CRVB:2014:1974
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet voldoen aan gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Betrokkene ontving bijstand als alleenstaande ouder sinds 2007. Naar aanleiding van anonieme meldingen onderzocht het college of betrokkene onrechtmatig kapperswerkzaamheden verrichtte en een gezamenlijke huishouding voerde met een vriend. Uit onderzoek bleek dat betrokkene zonder melding kapperswerkzaamheden verrichtte en dat de vriend sinds december 2010 feitelijk bij haar woonde.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde ten onrechte ontvangen bijstand terug. Betrokkene diende nieuwe aanvragen in, die werden afgewezen wegens het ontbreken van gewijzigde omstandigheden. De rechtbank oordeelde deels in het voordeel van betrokkene, met name dat onvoldoende bewijs was voor gezamenlijke huishouding.
De Raad beoordeelde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat de vriend hoofdverblijf had in de woning van betrokkene, maar dat het criterium van wederzijdse zorg niet was voldaan. Hierdoor was geen sprake van gezamenlijke huishouding. Ook oordeelde de Raad dat betrokkene bij nieuwe aanvragen niet had voldaan aan haar bewijslast voor gewijzigde omstandigheden, behalve bij de aanvraag van april 2011, waar het college onvoldoende onderzoek had verricht.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken, veroordeelde het college in de proceskosten van betrokkene en legde het griffierecht bij het college. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige toetsing van gezamenlijke huishouding en inlichtingenplicht bij bijstandsverlening.
Uitkomst: De Raad bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het ontbreken van gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.