ECLI:NL:CRVB:2014:2019
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant ontvangt sinds 1997 bijstand en woont sinds 1998 op het adres van A. Na een heronderzoek in 2011 concludeerde het college dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met A en dat zij samen voldoende middelen hebben, waardoor de bijstand werd ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.
De Raad beoordeelde aan de hand van objectieve criteria of sprake was van een gezamenlijke huishouding. Appellant en A wonen samen en er is sprake van wederzijdse zorg, onder meer door financiële verstrengeling, gezamenlijke huishoudelijke taken en zorg bij ziekte. Appellant kon geen huurovereenkomst overleggen en gebruikte diverse voorzieningen van A.
De Raad verwierp het verweer dat appellant niet juist kon verklaren vanwege zijn gemoedstoestand en dat het onderzoek onzorgvuldig was. De uitnodiging en het formulier waren duidelijk. Het college mocht op grond van het nieuwe onderzoek concluderen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding vanaf 23 november 2011. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.