Eiseres was werkzaam als medewerker gebruiksondersteuning bij de gemeente Rotterdam en kreeg op 27 december 2019 met onmiddellijke ingang strafontslag wegens plichtsverzuim. Zij had niet aan haar re-integratieverplichtingen voldaan en geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) ingediend. Eiseres voerde aan dat haar gedragingen voortkwamen uit volledige arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank oordeelde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt volledig arbeidsongeschikt te zijn. Uit meerdere bedrijfsartsadviezen en UWV-beoordelingen bleek dat zij benutbare mogelijkheden had. Ook was niet gebleken dat haar werkmail was geblokkeerd, waardoor zij het verzoek om een VOG te overleggen had kunnen ontvangen. De gedragingen werden als plichtsverzuim gekwalificeerd en aan eiseres toegerekend, omdat zij geen bewijs leverde van ontoerekenbaarheid.
De opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag werd als evenredig beoordeeld gezien de ernst van het plichtsverzuim en het feit dat eiseres meerdere malen was gewaarschuwd. Haar arbeidsongeschiktheid en de negatieve gevolgen van het ontslag op haar gezondheid leidden niet tot een ander oordeel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.