ECLI:NL:CRVB:2014:2043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag geïndiceerde zorg op grond van AWBZ voor niet-verzekerde vreemdeling
Appellant, een Palestijn en staatloos persoon zonder verblijfsvergunning sinds 1999, werd geïndiceerd voor individuele begeleiding op grond van de AWBZ. Het zorgkantoor wees de aanvraag af omdat appellant niet tot de kring van verzekerden behoort volgens artikel 5 AWBZ Pro, vanwege het koppelingsbeginsel dat aanspraken koppelt aan rechtmatig verblijf.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en verwees naar een eerdere uitspraak waarin werd vastgesteld dat de vergoedingsregeling van artikel 122a Zvw voorziet in een nagenoeg volledige vergoeding voor medisch noodzakelijke zorg aan niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen. Dit systeem voldoet aan de verdragsverplichtingen en beperkt de toegankelijkheid van zorg niet in algemene zin.
In hoger beroep betoogde appellant dat sprake is van schending van artikel 8 EVRM Pro en artikel 13 EVRM Pro omdat hij geen bestuursorgaan heeft om de hoogte en toegankelijkheid van zorg te betwisten. De Raad overwoog dat het koppelingsbeginsel de toegang tot openbare gezondheidszorg niet belemmert en dat de wetgever met artikel 122a Zvw een zorgplicht en financieringsregeling heeft getroffen voor medisch noodzakelijke zorg aan deze doelgroep.
De Raad concludeerde dat de weigering van het zorgkantoor niet leidt tot een onmogelijkheid van normale ontwikkeling van het privéleven van appellant en dat er geen ongerechtvaardigde schending van artikel 8 EVRM Pro is. Appellant kan zich rechtstreeks tot zorgverleners wenden en zo nodig via de daarvoor bestemde procedures zorg verkrijgen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag tot realisering van geïndiceerde zorg wordt afgewezen omdat appellant niet verzekerd is ingevolge de AWBZ en geen schending van artikel 8 EVRM is vastgesteld.