Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder vanaf april 2010. Na een onderzoek van de sociale recherche naar een vermoeden van gezamenlijke huishouding met haar ex-partner, die tot april 2010 haar partner was, besloot het college de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en terug te vorderen.
De Raad beoordeelde of appellante en haar ex-partner in de periode van januari tot mei 2011 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, wat bepalend is voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding. Ondanks dat zij op verschillende adressen stonden ingeschreven, concludeerde de Raad op basis van verklaringen, waarnemingen, huisbezoek en andere feiten dat zij feitelijk samenwoonden.
Appellante voerde aan dat haar ex-partner niet zijn hoofdverblijf bij haar had, maar deze stelling werd verworpen. Ook voerde zij geen gewijzigde omstandigheden aan die recht zouden geven op bijstand vanaf mei 2011. De Raad verklaarde de hoger beroepen ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.