ECLI:NL:CRVB:2014:2101
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering vervangende bruikleenauto en beëindiging autokostenvergoeding wegens primaat collectief vervoer
Appellante, rolstoelgebruiker met progressieve motorische beperkingen, vroeg om een vervangende bruikleenauto nadat haar eerdere auto onherstelbaar beschadigd was geraakt. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze aanvraag af en beëindigde de autokostenvergoeding, stellende dat collectief vervoer (taxibus) medisch adequaat en voldoende is.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond en ook in hoger beroep handhaaft de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. Het medisch advies van de gemeentelijk geneeskundige bevestigt dat vervoer in een taxibus met begeleiding passend is en dat er geen medische noodzaak bestaat voor vervoer samen met haar kinderen.
Hoewel appellante bezwaar maakte tegen de inflexibiliteit, wachttijden en belasting van het collectief vervoer, kon zij dit niet met medische stukken onderbouwen. Het college toonde aan dat het taxibusvervoer adequaat is voor haar lokale vervoersbehoefte. De Raad oordeelt dat praktische bezwaren inherent zijn aan collectief vervoer, maar dat deze niet zodanig zijn dat het collectief vervoer onvoldoende is.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af, zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de vervangende bruikleenauto en beëindiging van de autokostenvergoeding wordt bevestigd.