Appellant, een zelfstandige met een pluimveebedrijf en handelsonderneming, ontving een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde op basis van gegevens van de Belastingdienst vast dat de vrijval van de Fiscale Oudedagsreserve (FOR) over 2008 als inkomsten uit arbeid moest worden beschouwd, waardoor de uitkering vanaf 1 januari 2008 werd stopgezet.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat de omzetting van de FOR in een banksparen-tegoed een stakingshandeling betrof en dat het inkomen daardoor niet als arbeidsinkomen moest worden aangemerkt. Ook stelde hij dat de wetswijziging per 1 januari 2001 een bijzondere omstandigheid vormde voor afwijking van het uitgangspunt dat de nettowinst als arbeidsinkomen geldt.
De rechtbank en de Raad oordeelden dat de fiscaal verantwoorde nettowinst, inclusief de vrijval van de FOR, als inkomen uit arbeid moet worden beschouwd. De wetswijziging en het vermogensbeheer van appellant rechtvaardigen geen uitzondering. Er was geen sprake van feitelijke bedrijfsbeëindiging. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees een proceskostenvergoeding af.