ECLI:NL:CRVB:2014:2114
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit beëindiging loongerelateerde WGA-uitkering ondanks bezwaar appellant
Appellant, werkzaam als projectleider/adviseur, viel in juni 2009 uit wegens tinnitus en psychische klachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe van juni 2011 tot augustus 2014, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage aanvankelijk op 41% werd vastgesteld. Na bezwaar stelde het UWV dit percentage bij op 34,31%, maar beëindigde de uitkering pas per 21 augustus 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende medische en arbeidskundige gronden had voor de beslissing en dat het verbod van reformatio in peius niet was geschonden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het verlagen van het arbeidsongeschiktheidspercentage hem nadelig trof, onder meer door het verlies van pensioenopbouw, en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV niet in strijd handelde met het verbod van reformatio in peius omdat de uitkering sowieso op de einddatum zou zijn beëindigd. De medische onderbouwing van het besluit werd bevestigd, waarbij de Raad de bezwaren van appellant inzake medische rapporten en arbeidskundige geschiktheid verwierp. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de loongerelateerde WGA-uitkering bevestigd.