ECLI:NL:CRVB:2014:2280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en economische activiteit stichting
Appellanten ontvingen vanaf 1996 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een vermoeden van gezamenlijke huishouding en mogelijke onrechtmatigheden startte de sociale recherche een onderzoek. Dit leidde tot de ontdekking dat appellanten bestuursfuncties vervulden bij een stichting die economisch actief was en inkomsten genereerde, welke zij niet hadden gemeld bij het college.
Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode 2002-2011, omdat appellanten hun inlichtingenverplichting hadden geschonden en geen deugdelijke boekhouding konden overleggen. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad oordeelde dat de stichting daadwerkelijk economische activiteiten ontplooide, waaronder het aanbieden van workshops, een websitegenerator en autotransportdiensten. Zowel appellant als appellante hadden meer dan een papieren rol en verrichtten op geld waardeerbare arbeid. De administratie was onvoldoende om het recht op bijstand vast te stellen.
De Raad verwierp het verweer van appellanten dat er geen of nauwelijks inkomsten waren en dat de stichting economisch niet actief was. Ook het vrijspraak in een strafrechtelijke procedure deed hieraan geen afbreuk. De intrekking en terugvordering van bijstand zijn daarom terecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en onvoldoende administratie.