ECLI:NL:CRVB:2014:2284
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering
Appellant, voormalig lasser, staakte zijn werkzaamheden in juni 2009 vanwege gezondheidsklachten. Het UWV stelde in mei 2011 vast dat appellant recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 80%, nader gespecificeerd op 75,15% na arbeidsdeskundig onderzoek. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat zijn beperkingen werden onderschat en de geselecteerde functies ongeschikt waren. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam bevestigde deze beslissing, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de procedure stelde het UWV dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de loongerelateerde WGA-uitkering per 26 september 2013 was geëindigd en appellant een loonaanvullingsuitkering (LAU) had ontvangen. Appellant was niet verschenen bij de zitting.
De Raad onderzocht ambtshalve of appellant nog een voldoende procesbelang had. Gezien het feit dat de loongerelateerde uitkering was beëindigd en appellant een LAU ontving met een vastgestelde 100% arbeidsongeschiktheid, en dat appellant geen aanspraak had gemaakt op een IVA-uitkering of nadelige gevolgen ondervond van re-integratieverplichtingen, concludeerde de Raad dat het beoogde resultaat geen feitelijke betekenis meer had.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door D.J. van der Vos, in aanwezigheid van griffier D. Heeremans, op 2 juli 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.