ECLI:NL:CRVB:2014:2351
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bruikleenauto als vervoersvoorziening onder Wmo en primaat collectief aanvullend vervoer
Appellante kreeg sinds 1996 op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten een vervoersvoorziening in de vorm van een bruikleenauto toegekend. In 2011 besloot het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage deze voorziening te beëindigen, omdat het primaat bij het collectief aanvullend vervoer ligt en appellante hier, onder begeleiding, gebruik van kan maken.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. In hoger beroep stelde zij dat het verweerschrift van het college te laat was ingediend en dat het collectief vervoer onvoldoende adequaat is vanwege wachttijden en vaste rittijden, waardoor haar sociale contacten worden belemmerd.
De Raad oordeelde dat het college weliswaar de indieningstermijn van het verweerschrift niet in acht had genomen, maar dat dit niet tot buiten beschouwing laten van het verweerschrift leidde. Tevens was het college bevoegd het besluit te nemen op grond van de geldende wet- en regelgeving. De voorziening werd slechts voor de toekomst beëindigd en het collectief aanvullend vervoer werd als adequaat beoordeeld. Het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de bruikleenauto en wijst het hoger beroep af.