ECLI:NL:CRVB:2014:2383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en woonplaats
Appellante en [naam] waren gehuwd en hebben samen twee kinderen. [Naam] ontving bijstand als alleenstaande ouder en later als alleenstaande, terwijl hij feitelijk een gezamenlijke huishouding voerde met appellante. Het dagelijks bestuur stelde na onderzoek vast dat [naam] niet aan zijn inlichtingenverplichting voldeed en vorderde de bijstandskosten mede van appellante terug.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellante in de periode 22 maart 2006 tot 18 juni 2009 inderdaad een gezamenlijke huishouding voerde met [naam], waardoor terugvordering gerechtvaardigd is. Dringende redenen om hiervan af te zien zijn niet aannemelijk gemaakt.
Voor de periode 18 juni 2009 tot 30 september 2010 had [naam] geen woonplaats in de uitkeringsgemeente, waardoor het dagelijks bestuur niet bevoegd was terug te vorderen. Het besluit is ondeelbaar en dient daarom geheel te worden vernietigd. De Raad draagt het dagelijks bestuur op een nieuwe beslissing te nemen en veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijstand mede van appellante wordt vernietigd en het dagelijks bestuur wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.