ECLI:NL:CRVB:2014:2400
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant had bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering, die in 2003 was afgewezen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Na een eerdere bevestiging van dit besluit door de Raad in 2008, verzocht appellant in 2012 om herbeoordeling van zijn aanvraag. Het Uwv handhaafde het eerdere besluit omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn ziekte was verergerd en dat het onderzoek in 2003 onvolledig was. Tevens stelde hij vragen over het gebruik van verschillende burgerservicenummers (BSN) door het Uwv. De Raad oordeelde dat op verzoeken tot herziening artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wat inhoudt dat alleen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aanleiding kunnen geven tot herziening.
Omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd, werd het verzoek terecht afgewezen. De uitleg van het Uwv over het gebruik van fictieve BSN's was afdoende. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WAO-uitkering wordt bevestigd.