ECLI:NL:CRVB:2014:2434

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2014
Publicatiedatum
18 juli 2014
Zaaknummer
13-2862 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen brief UWV over Ziektewetuitkering

Appellant ontving een Ziektewetuitkering na ziekmelding en werd op 1 november 2011 weer geschikt bevonden voor arbeid, waardoor de uitkering werd beëindigd. Tegen dit besluit maakte appellant bezwaar, dat niet-ontvankelijk werd verklaard. Vervolgens ontving appellant op 2 maart 2012 een brief van het UWV waarin werd bevestigd dat hij vanaf 1 november 2011 weer kon werken. Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, dat door het UWV ongegrond werd verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de brief van 2 maart 2012 wel een besluit in de zin van de Awb was en dat het bezwaar daarom ontvankelijk had moeten worden verklaard. Het UWV trok het bestreden besluit in en verklaarde het bezwaar tegen de brief niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit was.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de brief van 2 maart 2012 slechts een herhaling is van het eerdere besluit en geen nieuw rechtsgevolg bevat. Het bezwaar tegen de brief is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen dit besluit wordt ongegrond verklaard, het beroep tegen het eerdere besluit van 4 juni 2012 wordt vernietigd. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 24 juli 2013 wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

13/2862 ZW, 13/4195 ZW
Datum uitspraak: 16 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
23 mei 2013, 12/781 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en tevens op 24 juli 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met zaak 12/4784 WIA plaatsgevonden op
4 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker en [naam Y.]. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1. Vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft appellant zich op 19 augustus 2011 ziek gemeld. In verband hiermee is hem een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2. Bij besluit van 1 november 2011 is appellant met ingang van diezelfde datum weer geschikt geacht voor zijn arbeid en is de ZW-uitkering beëindigd. Het door appellant op
19 januari 2012 tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 februari 2012
niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.
2.1. Nadat appellant en zijn begeleider [naam Y.] nogmaals met een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts hebben gesproken op 27 februari 2012, heeft het Uwv appellant bij brief van 2 maart 2012 bericht “dat de arts met u heeft besproken dat u vanaf 1 november 2011 weer kunt werken”.
2.2. Het tegen dit bericht gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 4 juni 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2.3. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard.
3.1. Nadat appellant hoger beroep had ingesteld tegen de aangevallen uitspraak heeft het Uwv, onder intrekking van het bestreden besluit, bij besluit van 24 juli 2013 het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het Uwv is de brief van 2 maart 2012 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat deze brief niet is gericht op rechtsgevolg. De brief is slechts een herhaling van het besluit van 1 november 2011 dat appellant met ingang van 1 november 2011 niet langer recht heeft op een ZW-uitkering.
3.2. In reactie hierop heeft appellant, kort samengevat, aangevoerd dat er wel sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Zijn argumenten voor dit standpunt worden hierna behandeld.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Nu het Uwv het bestreden besluit niet langer handhaaft, zullen de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, en het bestreden besluit worden vernietigd.
4.2.
Het besluit van 24 juli 2013 wordt, gelet op artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.
4.3.
De brief van 2 maart 2012 is een herhaling van de motivering van het besluit van
1 november 2011 en roept geen rechtsgevolgen in het leven die niet al door dat besluit teweeg waren gebracht.
4.4.
Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de brief van 2 maart 2012 moet worden aangemerkt als een beslissing op het door appellant bij brief van 19 januari 2012 gemaakte bezwaar tegen het besluit van 1 november 2011. Het Uwv had immers al op dit bezwaar beslist bij besluit van 21 februari 2012, terwijl er ook geen aanleiding bestond om nogmaals op dit bezwaar te beslissen. Verder duidt ook de tekst van de brief van 2 maart 2012 hier niet op. Ten slotte is in de brief van 2 maart 2012 niet te lezen dat hiermee het besluit van 1 november 2011 wordt ingetrokken en een nieuw besluit is genomen.
4.5.
Het subsidiaire standpunt van appellant, dat de brief van 19 januari 2012 moet worden gezien als een verzoek om herziening van het besluit van 1 november 2011, en dat de brief van 2 maart 2012 hierop een beslissing is, wordt ook niet gevolgd. In de brief van
19 januari 2012 wordt uitdrukkelijk vermeld dat het betreft: “Bezwaar tegen uw beschikking van d.d. 01-11-2011”. Ook uit de tekst van de brief van 19 januari 2012 heeft het Uwv niet hoeven begrijpen dat appellant hiermee in wezen een herziening van het besluit van
1 november 2011 beoogde.
4.6.
Uit de overwegingen 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het Uwv bij het besluit van 24 juli 2013 het bezwaar tegen de brief van 2 maart 2012 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Het beroep tegen het besluit van 24 juli 2013 zal daarom ongegrond worden verklaard.
5.
Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 1.217,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2012 gegrond en vernietigt dit besluit;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 24 juli 2013 ongegrond;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.191,50;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en
C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014.
(getekend) G.A.J. van den Hurk
(getekend) D.E.P.M. Bary

RK