ECLI:NL:CRVB:2014:2463
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting door onjuiste opgave gewerkte uren
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een vermoeden dat V meer uren werkte dan opgegeven, stelde het college een onderzoek in. Op basis hiervan werd de bijstand ingetrokken wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond. Appellanten voerden hoger beroep en stelden dat zij een gerechtvaardigde verwachting hadden dat de bijstand zou doorlopen en dat het college het onderzoek niet had mogen uitbreiden voordat aan eerdere rechterlijke uitspraken was voldaan.
De Raad oordeelde dat V inderdaad meer uren aanwezig was dan opgegeven en dat volgens vaste rechtspraak aanwezigheid op de werkplek impliceert dat er arbeid is verricht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, wat niet is gelukt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat uit eerdere besluiten niet bleek dat de intrekking van de bijstand was ingetrokken. Ook was er geen onjuist gebruik gemaakt van de onderzoeksbevoegdheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting.