ECLI:NL:CRVB:2014:2488
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Brand
- D.S. de Vries
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vergoeding immateriële schade wegens onrechtmatige weigering zorg
Appellant heeft een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van een onrechtmatig besluit van het Zorgkantoor tot weigering van zorg. De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak waarin is vastgesteld dat het Zorgkantoor gehouden is zorg te verlenen conform de indicatie, maar dat zorg in natura niet met terugwerkende kracht kan worden verleend.
Appellant stelde dat door het niet ontvangen van de benodigde zorg zijn klachten zijn verergerd en dat hij zich alleen veilig voelde bij zijn moeder en op school. Het Zorgkantoor stelde dat appellant sinds 2003 zorg ontving van diverse kinderdienstencentra en vanaf september 2008 van de school, en dat niet alle geïndiceerde zorg was uitgebleven.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij immateriële schade had geleden. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep dit oordeel bevestigd. De Raad benadrukt dat zonder inzichtelijke en aannemelijke onderbouwing niet kan worden aangenomen dat appellant schade heeft geleden. Bovendien is gebleken dat gedurende de relevante periode negen van de elf geïndiceerde dagdelen zorg zijn gerealiseerd.
Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt daarom afgewezen. Ook is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de schade.