ECLI:NL:CRVB:2014:2492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrageplicht op grond van Zvw en Verordening EEG nr. 1408/71
Appellant, woonachtig in Schotland, was het niet eens met de vastgestelde buitenlandbijdrage door het Zorginstituut voor het jaar 2008, welke gebaseerd was op zijn pensioenuitkeringen en verblijfssituatie. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard, waarbij werd geoordeeld dat het ABP-pensioen onder de werkingssfeer van Verordening EEG nr. 1408/71 valt en dat appellant ook zonder inschrijving met een E-121 formulier een buitenlandbijdrage verschuldigd is.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij niet verdragsgerechtigd zou zijn omdat zijn FPU-uitkering niet onder de werkingssfeer van de verordening valt. De Raad heeft deze gronden onderzocht en geen aanleiding gevonden om af te wijken van eerdere uitspraken en het oordeel van de rechtbank. Tevens heeft appellant niet kunnen aantonen dat hij een prevalerend recht had dat hem vrijstelde van de bijdrageplicht.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de aangevallen uitspraak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing is genomen door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 23 juli 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de buitenlandbijdrageplicht bevestigd.