Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:2497

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2014
Publicatiedatum
23 juli 2014
Zaaknummer
12-1853 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herhaalde Wajong-aanvraag wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant diende in 2008 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, die door het UWV werd afgewezen omdat hij niet als jonggehandicapte werd aangemerkt. In 2011 volgde een herhaalde aanvraag, waarop het UWV weigerde terug te komen op het eerdere besluit, omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren vastgesteld.

Appellant maakte bezwaar en voegde brieven uit 2000 toe, die volgens hem nieuwe feiten bevatten over gedragsproblemen en schooluitval. De rechtbank vernietigde het besluit wegens het ontbreken van een medisch rapport, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het hoger beroep richtte zich tegen deze laatste beslissing.

De Raad oordeelde dat de brieven geen nieuwe feiten bevatten, omdat zij betrekking hadden op een periode vóór het oorspronkelijke besluit en dat deze feiten al bekend hadden kunnen zijn, ook via de mentor van appellant. Er waren geen bijzondere omstandigheden die het UWV tot een ander besluit hadden moeten brengen. Daarom werd het bestreden besluit en de rechtsgevolgen daarvan bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herhaalde Wajong-aanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

12/1853 WAJONG
Datum uitspraak: 23 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage
van 29 februari 2012, 11/6359 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.L. Kleyn, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2014. Namens appellant zijn
mr. Kleyn en [naam broer], broer en mentor van appellant verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren op 16 maart 1985, heeft op 19 mei 2008 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Bij besluit van 14 juli 2008 heeft het Uwv appellant niet voor de gevraagde uitkering in aanmerking gebracht, omdat hij niet als jonggehandicapte in de zin van de Wajong valt aan te merken. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2. Op 1 februari 2011 heeft appellant een nieuwe aanvraag om een uitkering gedaan, dit maal op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
1.3. Bij besluit van 9 februari 2011 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van 14 juli 2008, omdat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan het besluit van
14 juli 2008 onjuist zou zijn.
1.4. Appellant heeft tegen het besluit van 9 februari 2011 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij drie brieven uit het jaar 2000 van de [naam school], een school voor voortgezet speciaal onderwijs, gevoegd. Bij besluit van 27 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens het ontbreken van een onderliggend medisch rapport. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb.
3.
Het hoger beroep van appellant is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand zijn gelaten. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden; in de periode dat hij speciaal onderwijs heeft gevolgd, had hij al ernstige gedragsproblemen en was er sprake van schooluitval. Deze feiten zijn in 2008 niet aan de orde geweest, en konden ook niet aan de orde worden gesteld omdat appellant de daarvoor benodigde gegevens niet in zijn bezit had en dit kan hem niet worden verweten omdat hij destijds al leed aan schizofrenie.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
De aanvraag van appellant van 1 februari 2011 is een herhaling van de aanvraag waarop het Uwv bij besluit van 14 juli 2008 heeft beslist.
4.3.
Op zo’n herhaalde aanvraag is artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan de aanvraag afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij de herhaalde aanvraag is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan de aanvraag op deze manier afwijzen.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.4.
De door appellant in bezwaar overgelegde brieven bevatten geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, aangezien deze brieven zien op een periode die is gelegen ver voor het besluit van 14 juli 2008. Appellant had de feiten die uit deze brieven naar voren komen al voor laatstgenoemd besluit kunnen aanvoeren, ook al had hij de brieven niet in zijn bezit. Voor zover appellant bij de eerste aanvraag niet in staat was om zelf alle relevante gegevens aan te voeren, had dit gedaan kunnen worden door zijn broer, die bij beschikking van 29 januari 2008 als mentor van appellant is benoemd.
4.5.
Nu appellant bij zijn herhaalde aanvraag geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, is er voor een inhoudelijke toetsing van het bestreden besluit geen plaats. In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die het Uwv in het onderhavige geval aanleiding hadden moeten geven tot een andere beslissing te komen. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit terecht in stand gelaten.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
5.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) S.K. Dekker

RK