Uitspraak
21 december 2012, 12/2112 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als ambtenaar bij een stadsdeel van Amsterdam en werd in april 2009 aangehouden en in voorlopige hechtenis gesteld wegens verdenking van betrokkenheid bij een ernstige moordzaak. Na zijn vrijlating gaf hij uiteenlopende verklaringen over zijn afwezigheid, onder meer via zijn echtgenote, en gaf hij onvoldoende openheid over zijn kennis van de moord op K.
Ondanks zijn vrijspraak door de rechtbank Zwolle-Lelystad in mei 2010, oordeelde het college dat appellant ernstig plichtsverzuim had begaan en verleende hem onvoorwaardelijk strafontslag. Appellant stelde in hoger beroep dat hij geen onjuiste verklaringen had gegeven en dat hij geen kennis had van strafbare feiten, maar de Raad verwierp deze stellingen op grond van de stukken en gesprekken.
De Raad overwoog dat het niet openlijk informeren over de betrokkenheid bij een ernstig misdrijf, ook na vrijspraak, plichtsverzuim oplevert. Tevens werd het verzoek van appellant om alsnog processen-verbaal in te dienen afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. De Raad vond het ontslag niet onevenredig en bevestigde het eerdere oordeel van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het onvoorwaardelijk strafontslag wegens ernstig plichtsverzuim.