Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:2572

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juli 2014
Publicatiedatum
30 juli 2014
Zaaknummer
12-2203 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WGA-loonaanvullingsuitkering wegens mogelijke verbetering belastbaarheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WGA-loonaanvullingsuitkering toe te kennen omdat zij niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat verbetering van haar belastbaarheid mogelijk is en verwees naar mogelijke medische behandelingen en revalidatie.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en overhandigde aanvullende medische informatie, waaronder een werkplan en een brief van een psychiater. De Raad concludeerde echter dat de medische stukken geen aanwijzingen bevatten dat verbetering uitgesloten is. De verzekeringsarts had gemotiveerd dat verbetering mogelijk is, mede gebaseerd op overleg met andere behandelaars.

De Raad zag geen reden om een deskundige te raadplegen en sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot vergoeding van schade werd afgewezen omdat het beroep niet slaagde. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de WGA-loonaanvullingsuitkering bevestigd.

Uitspraak

12/2203 WIA
Datum uitspraak: 30 juli 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 maart 2012, 11/3400 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bronsveld en het Uwv door drs. M.P.W.M. Wiertz.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 19 januari 2011 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij vanaf
14 maart 2011 een WGA-loonaanvullingsuitkering krijgt.
1.2. Bij besluit van 24 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellante wel volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is.
2.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de (bezwaar)verzekeringsarts deugdelijk heeft gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid van appellante mogelijk is. De rechtbank heeft daarbij gewezen op de mogelijkheid een revalidatieprogramma te volgen. Voorts wordt door de revalidatiearts behandeling voor de psychische klachten aangeraden. Voor de rugklachten zouden facetinfiltraties herhaald kunnen worden. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat de diverse behandelingen haar belastbaarheid niet zouden kunnen verbeteren.
3.
Appellante heeft in hoger beroep in grote lijnen herhaald hetgeen zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een werkplan van 27 maart 2014 en informatie van de psychiater overgelegd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de (bezwaar)verzekeringsarts deugdelijk heeft gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid van appellante mogelijk is. De Raad neemt dit oordeel van de rechtbank over en sluit zich aan bij de overwegingen die daartoe geleid hebben.
4.2.
De stelling van appellante in hoger beroep dat geen medische behandeling meer
plaatsvindt en dat daarom geen verbetering mogelijk is, slaagt niet. De in het dossier aanwezige medische stukken leiden niet tot die conclusie. In het rapport van de verzekeringsarts van 23 december 2010 is, na overleg met de fysiotherapeut/ergotherapeut en psychotherapeut, te kennen gegeven dat verbetering van de belastbaarheid te verwachten is. In de door appellante overgelegde brief van de psychiater van 22 april 2014 is voorts vermeld dat appellante geen hernieuwde psychotherapeutische behandeling wil en dat zij zichzelf aldus een potentieel effectieve behandeling ontzegt. Het werkplan is ruim drie jaar na de datum in geding opgesteld en zegt niets over die datum.
4.3.
In het voorgaande ligt besloten dat de Raad voldoende informatie heeft over de medische situatie van appellante op de datum in geding. De Raad ziet dan ook, evenmin als de rechtbank, reden om een deskundige te raadplegen.
4.4.
Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5.
Omdat het hoger beroep niet slaagt, volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) J.C. Hoogendoorn
IvZ