ECLI:NL:CRVB:2014:2643

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 augustus 2014
Publicatiedatum
5 augustus 2014
Zaaknummer
13-1522 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 1:3 AwbArt. 6:6 AwbArt. 79 Wet werk en bijstand
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening uitspraak WWB wegens ontbreken nieuwe feiten

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek ingediend tot herziening van een eerdere uitspraak van 1 mei 2012 betreffende een geschil over een brief van het college van burgemeester en wethouders van Medemblik. De Raad heeft overwogen dat herziening alleen mogelijk is indien er feiten of omstandigheden zijn die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, niet bekend waren en bij bekendheid tot een andere uitspraak zouden hebben geleid.

De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank Alkmaar dat de brief van 28 juni 2010 geen besluit in de zin van de Awb is, en dat het bezwaar van verzoeker tegen deze brief terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Verzoeker stelde dat er nieuwe feiten zijn ontstaan door lopende procedures en dat de Raad onzorgvuldig heeft gehandeld, maar deze feiten waren al bekend of redelijkerwijs bekend voor de uitspraak van 2012.

De Raad oordeelde dat het verzoek om herziening niet dient om de juistheid van eerdere uitspraken opnieuw te betwisten en wees het verzoek daarom af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

13/1522 WWB
Datum uitspraak: 5 augustus 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van
1 mei 2012, 11/1085 WWB
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Medemblik (college)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft om herziening gevraagd van de uitspraak van de Raad van 1 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6037.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 juni 2014. Verzoeker is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.M. Vriend.

OVERWEGINGEN

1.
Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet, zoals die artikelen luidden tot 1 januari 2013, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.
Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 6 januari 2011, 10/2046, bevestigd. In geding was de vraag of de brief van 28 juni 2010 waarin het college verzoeker heeft uitgenodigd voor een gesprek in verband met het bepalen van zijn arbeidsmogelijkheden een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De Raad heeft, voor zover van belang, overwogen het oordeel van de rechtbank dat de brief niet op rechtsgevolg is gericht en evenmin onder de werking van
artikel 79 van Pro de Wet werk en bijstand valt, niet voor onjuist te houden. Het college heeft het bezwaar tegen de brief terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Raad heeft daaraan nog toegevoegd dat verzoeker niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat sprake is van strijd met artikel 6:6 van Pro de Awb.
3.
Verzoeker heeft aan zijn verzoek, samengevat, ten grondslag gelegd dat er sprake is van nieuwe feiten en dat deze zijn ontstaan naar aanleiding van lopende procedures, met name in de zaken 12/1661 en 12/1700, waarin de Raad op 4 juni 2013 uitspraak heeft gedaan. Voorts heeft de Raad onzorgvuldig of geen onderzoek verricht wat heeft geresulteerd in een onredelijke benadeling van verzoeker. Verder zijn er vijf jaar lang onzinnige procedures uitgelokt door onder andere een onrechtmatige blokkering, inhouding en stopzetting van de uitkering waardoor schade is ontstaan die hij vergoed wil zien.
4.
Met de verwijzing naar de in 3 vermelde hogere beroepszaken heeft verzoeker geen feiten of omstandigheden ingebracht die vóór de uitspraak van 1 mei 2012 niet bij hem bekend waren, dan wel redelijkerwijs bekend konden zijn. Verzoeker betoogt in wezen de juistheid van de uitspraak van 1 mei 2012 in twijfel te trekken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en ook niet om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Het verzoek om herziening dient dan ook te worden afgewezen.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2014.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) A.C. Oomkens

HD