Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant erkend dat appellant niet aannemelijk kan maken dat hij in de drie maanden voorafgaand aan zijn aanvraag en nadien in Nederland verbleef.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een Duitse EU-burger, vroeg op 1 oktober 2010 bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Heerlen wees de aanvraag af omdat appellant niet kon aantonen dat hij ten tijde van de aanvraag een absoluut verblijfsrecht had of gedurende drie maanden of langer in Nederland verbleef.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel recht had op bijstand, maar erkende ter zitting niet aannemelijk te kunnen maken dat hij in de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag in Nederland verbleef.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad wees op artikel 11 van Pro de WWB en artikel 24 van Pro Richtlijn 2004/38/EG, waarin is bepaald dat het gastland niet verplicht is sociale bijstand te verlenen gedurende de eerste drie maanden van verblijf. Omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor verblijf en registratie, werd het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand werd afgewezen wegens ontbreken van absoluut verblijfsrecht en onvoldoende verblijf in Nederland.