ECLI:NL:CRVB:2014:2716
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellante, geboren in 1990, diende op 9 mei 2011 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering vanwege een lichte verstandelijke beperking. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek wees het UWV de aanvraag af, een besluit dat ook na bezwaar werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de medische beperkingen van appellante correct waren vastgesteld en dat zij de voorgehouden functies kon verrichten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij zwaardere begeleiding en permanente hulp nodig heeft dan door de rechtbank aangenomen. De Raad overwoog dat deze gronden een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat appellante geen nieuwe medische stukken had overgelegd die haar beperkingen verder onderbouwen. De Raad onderschreef het oordeel dat appellante functioneel in staat is de voorgehouden functies uit te oefenen zonder relevant verlies aan verdienvermogen.
Gelet op deze overwegingen wees de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep af en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 30 juli 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Wajong-aanvraag bevestigd.