ECLI:NL:CRVB:2014:2780
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- R.H.M. Roelofs
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag algemene en bijzondere bijstand voor minderjarig kind zonder dringende redenen
Appellante, een minderjarig kind, vroeg algemene en bijzondere bijstand aan voor noodzakelijke kosten van bestaan en huur- en elektriciteitskosten van een woning. Het college wees deze aanvragen af omdat minderjarigen in beginsel geen zelfstandig recht op bijstand hebben en er geen zeer dringende redenen waren om hiervan af te wijken. Tevens werden de kosten van bijzondere bijstand als niet noodzakelijk beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep. Zij stelde dat op grond van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en de familierechtelijke situatie zeer dringende redenen bestonden. Ook betwistte zij de noodzaak van de kosten waarvoor bijzondere bijstand werd gevraagd.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar vader niet kon voorzien in de noodzakelijke kosten en dat de omgangsregeling niet werd aangetast door het oordeel van het college. De kosten van bijzondere bijstand werden als niet noodzakelijk beoordeeld, mede omdat het huurcontract niet op naam van de moeder kon worden gezet en de huurprijs niet passend was.
Het hoger beroep werd afgewezen, de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek om vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De aanvraag om algemene en bijzondere bijstand voor het minderjarige kind wordt afgewezen wegens het ontbreken van zeer dringende redenen en noodzakelijkheid van de kosten.