ECLI:NL:CRVB:2005:AT3468
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt afwijzing bijstandsuitkering minderjarig kind wegens zeer dringende redenen
Appellant, een minderjarig kind met de Nederlandse en Egyptische nationaliteit, vroeg bijstand aan nadat de moeder, die de Marokkaanse nationaliteit heeft, onvoldoende middelen had om in de kosten van verzorging en opvoeding te voorzien. De gemeente Amsterdam wees de aanvraag af omdat volgens de Algemene bijstandswet (Abw) personen jonger dan 18 jaar geen recht op bijstand hebben, tenzij zeer dringende redenen zich voordoen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat de gemeente niet bevoegd was om artikel 11 van Pro de Abw toe te passen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat er wel degelijk zeer dringende redenen waren, gezien het ontbreken van voldoende onderhoudsbijdrage van de vader, het lage inkomen van de moeder en het feit dat appellant niet verzekerd was tegen ziektekosten.
De Raad baseerde zich op internationale verdragsbepalingen, waaronder het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), en concludeerde dat de gemeente haar discretionaire bevoegdheid om bijstand te verlenen aan minderjarigen onder zeer dringende omstandigheden had moeten toepassen. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en de gemeente werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de gemeente veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit tot afwijzing van bijstand en beveelt een nieuw besluit te nemen vanwege aanwezigheid van zeer dringende redenen.