ECLI:NL:CRVB:2014:2940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op werkleeraanbod en inkomensvoorziening bij ontbreken geldige verblijfstitel
Appellante en haar kinderen beschikten sinds 1 juni 2011 niet meer over een geldige verblijfstitel, waardoor zij geen aanspraak meer konden maken op een werkleeraanbod en inkomensvoorziening onder de Wet investeren in jongeren (WIJ). Het college had de inkomensvoorziening ingetrokken en geen nieuw werkleeraanbod verstrekt.
Appellante voerde aan dat op grond van artikel 8 EVRM Pro, gezien haar kwetsbare positie, toch recht bestond op deze voorzieningen. De Raad oordeelde echter dat de WIJ primair gericht is op arbeidsinschakeling van jongeren met een geldige verblijfstitel en dat het ontbreken daarvan uitsluiting tot gevolg heeft. De gewijzigde strekking van de WIJ ten opzichte van de WWB leidt niet tot een positieve verplichting tot verstrekking van werkleeraanbod en inkomensvoorziening aan vreemdelingen zonder geldige verblijfsstatus.
De Raad bevestigde dat het belang van onderwijs, voor zover dit voortvloeit uit internationale verdragen, niet via de WIJ maar via onderwijswetgeving moet worden gerealiseerd. Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.