ECLI:NL:CRVB:2013:1794
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over rechtmatig verblijf en recht op inkomensvoorziening Wet investeren in jongeren
Appellante, een Bulgaarse staatsburger, verzocht het dagelijks bestuur om een werkleeraanbod en inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Het dagelijks bestuur weigerde dit op basis van haar verblijfsstatus, geregistreerd met GBA-code 38, en stelde dat zij geen rechthebbende was volgens artikel 2 van Pro de WIJ.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit, stellende dat het dagelijks bestuur slechts hoefde te verifiëren of de GBA-code correct was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het dagelijks bestuur niet voldeed aan zijn onderzoeksplicht door niet in overleg te treden met de staatssecretaris om het rechtmatig verblijf van appellante te verifiëren.
De Raad benadrukte dat zolang de staatssecretaris geen besluit heeft genomen over het beëindigen van het verblijfsrecht, van rechtmatig verblijf moet worden uitgegaan. Daarom moet het dagelijks bestuur binnen zes weken een nieuwe beslissing nemen over het recht op inkomensvoorziening, waarbij een zorgvuldiger onderzoek vereist is. De Raad geeft geen oordeel over de bijstand aan appellant in deze tussenuitspraak.
Uitkomst: Het dagelijks bestuur moet binnen zes weken een nieuwe beslissing nemen over de inkomensvoorziening op grond van de WIJ na nader onderzoek naar het rechtmatig verblijf van appellante.