Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
11 april 2007. Bij brief van eveneens 20 juli 2011 is het Uwv daarnaast uitgebreid ingegaan op een aantal door appellant in zijn brief van 11 mei 2011 als onacceptabel geschetste zaken.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WAZ-uitkering die in 2007 werd verlaagd door het UWV. Na bezwaar werd de uitkering herzien en een vergoeding voor gemaakte kosten toegekend. Appellant vorderde vervolgens een omvangrijke schadevergoeding wegens onrechtmatige besluitvorming, waaronder immateriële schade.
De rechtbank kende slechts wettelijke rente toe en wees de overige schadeclaims af wegens gebrek aan causaal verband en onvoldoende bewijs van geestelijk letsel. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, verwijzend naar vaste jurisprudentie omtrent vergoeding van immateriële schade en het vereiste van ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.
De Raad oordeelde dat de geclaimde kosten niet direct door het onrechtmatige besluit waren veroorzaakt en dat toekomstige inkomensschade onzeker en niet aantoonbaar was. Ook de psychische klachten van appellant waren onvoldoende om tot vergoeding over te gaan. De proceskosten werden beperkt toegekend. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; geen immateriële schadevergoeding toegekend wegens onvoldoende bewijs van ernstige inbreuk.